1. De Dromer

Genesis 37 vers 1 tot 20

‘Daar heb je die dromer!’
‘Dat verwende jochie!’
‘Komt ons bespieden, kan-ie ons thuis verklikken. Papa, moet u horen: m’n broers zijn veel
te ver afgedwaald met de kudden; ik vond ze helemaal in Dotan.’

Tien jonge kerels hangen rond op een heuvel bij Dotan. Het zijn broers van elkaar. Herders. De lucht is bewolkt, schaduwen glijden over de velden. Her en der scharrelen schapen rond of staren in de verte. In het dal loopt een weg van noord naar zuid. Een jongen nadert de zuidelijke voet van de heuvel. Hij is gekleed in een opvallende jas, die opkleurt als er zonnestralen door de wolken breken. Het is een jongere broer van de tien. Ze wijzen in zijn richting en schreeuwen opgewonden door elkaar.

‘Jongens, wat zullen we met hem doen?’ roept er een.
‘Hij moet maar eens een lesje leren, die opschepper,’ schreeuwt een ander. ‘Weet je nog: hij droomde dat wij korenschoven waren. En dat we allemaal één voor één voor zijn schoof bogen. Alsof hij de baas was. Nou, dat zal mooi niet gebeuren.’
‘En hij droomde ook dat de zon, de maan en elf sterren voor hem bogen. Om van te kotsen.’
‘Pa gaf hem alleen maar een uitbrander. Bah, die opschepper had een pak slaag moeten krijgen.’
‘Maar papa bleef nog lang over die dromen van hem tobben. Hij nam ze toch serieus, geloof ik. Hij zag er een geheim in.’
‘Alsof die dromer zo bijzonder is!’
‘Ach wat! Jozef is vaders lievelingetje. Omdat die ouwe zelf een dromer is, natuurlijk. Maar wat heb je aan dromen?’
‘Kijk hem daar aan komen lopen in z’n mooie pakkie.’
‘Jaja, van papaatje gehad. Hij is ook zo speciaal. Moeders jochie. Vaders liefie.’
‘Laten we dat lieve er maar eens keihard uitslaan.'

De broers ballen hun vuisten, springen in het rond en stompen en schoppen in de lucht.
‘Kom, dan geven we die mooie jongen en paar blauwe ogen’, roept een van hen.
‘Er op af dan!’ schreeuwt een ander.
‘Nee jongens, luister! We moeten het anders aanpakken’, roept weer een ander boven de rest uit.
‘Beter dan een pak slaag?’
‘Veel beter. Kijk, we zijn toch ver van huis. We kunnen hem gewoon doden en net doen of-ie een ongeluk heeft gehad. Zijn we in één klap van hem af.’
‘Goed plan! We slaan hem dood en dumpen hem in de put.’

De ogen van de mannen fonkelen. Ze snuiven en lachen hun tanden bloot.
‘En weet je wat? Z’n mooie mantel besmeuren we met z’n eigen bloed en nemen we mee naar huis, om die ouwe te misleiden. We zeggen gewoon dat hij door een wild dier werd opgevreten.’