10. De maaltijd met de broers
Genesis 43De hongersnood duurt nu al twee jaar. Het voedsel dat Jakobs zonen uit Egypte
meebrachten raakt op. Ze zullen terug moeten om nieuwe voorraden te halen.
Maar wat zien ze er tegenop. Ze kunnen beschuldigd worden van diefstal. Toch zullen ze wel moeten. En ze zullen ook Benjamin mee moeten nemen. Als die niet voor de Egyptische koning verschijnt, krijgen ze geen voedsel en komt Simeon nooit vrij.
Jakob wil zijn jongste zoon absoluut niet laten gaan. Maar zijn oudere zoons weten hem ten slotte toch te overtuigen van de noodzaak. Benjamin moet mee, want hij is het enige bewijs dat ze niet gelogen hebben over hun achtergrond.
‘Als Benjamin meegaat, krijgen we het voedsel dat we nodig hebben en hoeft niemand van ons om te komen’, zegt Juda. ‘Laat hem nu maar gaan, dan neem ik de verantwoordelijkheid voor hem op me. Ik zal voor hem instaan met mijn eigen leven.’
‘Goed dan’, zegt Jakob. ‘Laten we vertrouwen op de goedheid en mensenliefde van de Almachtige God.’ En hij stuurt hen op weg met ladingen geschenken.
En weer ondernemen de broers de lange tocht zuidwaarts naar Egypte.
Als Jozef zijn broers ziet met zijn kleine broertje Benjamin, geeft hij zijn hofmeester opdracht om hen in zijn eigen paleis te ontvangen. Ze mogen zich opstellen in zijn eetzaal.
De broers zijn doodsbang. Ze vertellen de hofmeester dat ze de vorige keer voedsel hadden gekocht en het volle bedrag hadden betaald, maar dat ze hun geld later terugvonden in hun zakken met graan.
‘Dat hebben we echt niet zelf meegenomen, het moet een vergissing zijn geweest’, zeggen ze om zich te verontschuldigen.
‘Volgens mij vergissen jullie je inderdaad’, antwoordt de hofmeester. ‘We hebben dat geld van jullie gewoon gekregen en gehouden. Het staat keurig in onze boekhouding. Misschien wilde God jullie wel verrassen met die schat in jullie voerzakken. Maar nu ga ik jullie broer uit de kerker halen.’
Simeon, die gevangen zou blijven totdat Jozef Benjamin gezien had, wordt bij zijn broers teruggebracht.
Als Jozef in de eetzaal verschijnt, buigen alle elf broers diep voor hem.
‘Hoe is het met jullie oude vader, leeft hij nog?’ vraagt Jozef. ‘En is dit jullie jongste broer? God zal je veel, veel genade schenken, mijn zoon’, zegt hij tegen Benjamin. ‘Veel genade.’
Hij loopt snel weg, omdat zijn ogen vol tranen schieten.
Als Jozef zichzelf herwonnen heeft, gaan ze aan tafel. De broers worden precies in de volgorde van hun leeftijd neergezet. Ze kijken elkaar aan: hoe weet deze Egyptenaar zo precies hoe oud ze zijn?
De elf broers krijgen een feestmaal voorgeschoteld die geurt naar vlees en kruiden. Maar Benjamin krijgt vijf keer zoveel.


