english

11. De beker van de koning

Genesis 44

Terwijl Jozef en zijn broers aan de maaltijd zitten, vullen de knechten van Jozef buiten
het paleis stiekem de zakken van de broers vol graan en doen er opnieuw het geld in terug.
In de zak van Benjamin stoppen ze ook nog de zilveren beker waar Jozef altijd uit drinkt.

Zodra de dag aanbreekt vertrekken de broers. Ze zijn opgelucht: die Egyptische koning is deze keer goed voor hen geweest.
Maar ze zijn nauwelijks op weg, of ze worden door Jozefs soldaten ingehaald.

‘Jullie hebben gestolen!’ zegt de hofmeester als ze ingerekend zijn.
‘Echt niet! Zoiets doen wij niet’, antwoorden de broers. Maar de moed zakt hen alweer in de schoenen. ‘Mocht u toch iets bij een van ons vinden, dan moet die sterven’, zeggen ze. ‘En de rest van ons zal daarvoor boeten als slaaf.’
Ieder van hen opent zijn zak. De hofmeester doorzoekt alles. En kijk: in elke zak vindt hij geld, en bij Benjamin ook nog de koningsbeker.

‘Wel heb je ooit! Je hebt de beker van de koning gestolen’, zegt de beamte van Jozef tegen Benjamin. ‘Hoe durf je! Weet je wel wat die beker betekent? Die beker is een belofte, een teken voor de toekomst – en die neem jij zomaar mee? Denk je dat je die als jongste mag gebruiken?’

Benjamin kijkt verbaasd naar de beker. Wie heeft hem die gegeven?
De broers rukken hun kleren stuk van ellende. Ze zijn ten einde raad als ze opnieuw voor de koning worden geleid. Daar vallen ze alle elf op hun knieën.

‘Jullie hadden kunnen weten dat ik kan zien wat verborgen is’, zegt Jozef.
‘U hebt gelijk’, zegt Juda, die namens de broers het woord neemt. ‘Hoe kunnen we ons vrijpleiten? We zijn allemaal schuldig, want God heeft onze misdaden aan het licht gebracht. U kunt ons inrekenen als slaven, ons allemaal.’
‘Geen denken aan’, zegt Jozef. ‘Alleen degene bij wie mijn beker gevonden werd blijft hier, de rest kan gaan.’

‘Alstublieft, neem mij’, roept Juda. ‘Ik smeek u, neem mij in plaats Benjamin’, benadrukt hij. ‘Laat mij met hem ruilen. Onze vader overleeft het niet als hij hoort dat zijn jongste zoon er niet meer bij is. U moet weten dat zijn oudere broer gestorven is en dat Benjamin als enige kind van zijn moeder is overgebleven. Hij is vaders lieveling. Ik heb met mijn vader afgesproken dat ik borg zal staan voor die jongen. Neem mij dus in zijn plaats.’

Als Juda zichzelf aanbiedt in ruil voor Benjamin kan Jozef zich niet meer goed houden. Hij barst in tranen uit.