12. Jozef maakt zichzelf bekend

Genesis 45 vers 1 tot 24

Jozef huilt zo hard dat iedereen in zijn paleis het hoort. Zelfs in het paleis van de farao is zijn gehuil te horen. Hij huilt en huilt en roept eindelijk uit wie hij is.
‘Ik ben het!’ roept hij. ‘Ik ben Jozef, jullie broer!’

De broers deinzen terug van schrik. Wat zegt die Egyptenaar nu?
‘Ik hoor bij jullie en bij jullie vader. Hij is ook mijn vader. Mijn vader – leeft hij nog?’

De broers staan aan de grond genageld. Ze kunnen geen woord uitbrengen.
‘Kom dichterbij’, zegt Jozef. ‘Niet bang zijn, ik doe jullie niks, ik ben jullie broer. Jullie hebben mij verkocht, maar maak jezelf geen verwijten. God heeft het zo gewild, dat weet ik zeker. Ik ben hier terechtgekomen ter wille van jullie. God heeft mij voor jullie uitgestuurd om jullie te redden.’

Jozef maakt zijn broers duidelijk waarom alles zo gegaan is. Herinneren ze zich zijn mooie jas nog? En de dromen die hij hen vertelde? Iedereen zou buigen voor hem, de hele familie. Welnu, alles is uitgekomen. God had een plan met zijn leven.

‘God wilde veel levens redden’, zegt hij tegen zijn broers, die nog steeds met stomheid geslagen naar hem staren. ‘Daarom werd ik in de put geworpen en in de gevangenis gegooid. Daarom werd ik ook door God verhoogd als heerser over heel Egypte, voordat de hongersnood toesloeg. En daarom kreeg ik al die overvloed ter beschikking. Het was allemaal om jullie te redden.’

De broers kijken Jozef verbijsterd en met grote ogen aan.
‘Snap het dan! God houdt zich aan zijn belofte dat Hij een volk uit Abraham zal vormen’, vervolgt Jozef met een stralend gezicht. ‘Hij wil jullie voortbestaan op aarde veiligstellen. Echt, Hij heeft het allemaal zo gewild.’

Eindelijk laten de broers hun schouders zakken en kruipt er een glimlach om hun lippen.
Jozef loopt met uitgestrekte armen op hen toe. Hij omhelst eerst Benjamin, zijn jongste broer, en daarna één voor één al zijn andere broers.
Terwijl Jozef zijn tranen de vrije loop laat, beginnen de broers te begrijpen wat deze ontmoeting betekent. Het dringt langzaam tot hen door dat deze koning hun eigen broer is. Hij leeft. En hij heeft hun leven gered.
‘Kijk: jullie zien dat ik het ben – jij ook, Benjamin’, verzekert Jozef zijn broers. ‘Ga nu papa halen, want hier kan hij veilig wonen.’

De broers zijn helemaal ontdaan en opgelucht tegelijk. Wat een wonderlijk weerzien is dit!
Voordat ze vertrekken steekt Jozef hen allemaal in nieuwe kleren. Maar Benjamin geeft hij er nog eens vijf stel bovenop en zakken vol geld bovendien.
Hij stuurt zijn broers beladen met cadeaus terug naar zijn vader.