13. De familie herenigd
Genesis 45 vers 25 - Genesis 47 vers 6 - Handelingen 7 vers 8 tot 14Opnieuw reizen de broers van Egypte naar Kanaän. Maar nu prikt het zweet niet in hun
ogen en knarst het zand niet tussen hun tanden. Ze voelen zich bij elke stap sterker en
frisser. Deze keer ziet de woestijn er ook niet dor, verschroeid en vijandig uit. De lucht tintelt
van leven en kleurt de omgeving rood, oranje en oker. De weg lijkt korter dan ooit. De mannen reizen op de vleugels van de hoop.
Thuis in het tentenkamp struikelen de broers over elkaar om als eerste aan hun vader te vertellen dat Jozef leeft en dat hij in Egypte is opgeklommen tot koning.
‘Jozef heeft ons leven gered, papa!’
Jakob wil het niet geloven, totdat hij de koninklijke wagens ziet die ze gevuld met cadeaus uit Egypte hebben meegebracht en die geschikt zijn om hem en de hele familie mee naar Jozef te vervoeren.
‘Nu begrijp ik waarom God mij Israël heeft genoemd’, zegt Jakob als hij van zijn verbazing bekomen is. ‘Hij heeft opnieuw voor mij gestreden en overwonnen, terwijl ik er zelf niet in geloofde.’
Hij gooit zijn hoofd in zijn nek.
‘Hahaha, mijn zoon leeft! Ik wil naar hem toe en hem zien voordat ik sterf.’
Nu heeft Jakob haast. Zodra al zijn bezittingen op de wagens zijn geladen vertrekt hij met heel zijn familie en al zijn vee naar het zuiden. Juda stuurt hij vooruit om de ontmoeting met Jozef voor te bereiden.
Onderweg brengt Jakob een dankoffer. Daar spreekt God hem aan.
‘Jakob, Jakob!’ zegt God.
‘Ik luister,’ zegt Jakob.
‘Ik ben God, de God van je vader. Niet bang zijn, Jakob, ik zal je in Egypte tot een groot volk maken. Ik reis met je mee en breng je familie ook weer terug.’
Jakob buigt zich voor God.
In Egypte vallen vader en zoon elkaar langdurig om de hals. Ze zijn weer compleet!
De farao hoort van deze ontmoeting en is blij dat Jozef met zijn familie is herenigd. Hij geeft hen alles wat ze maar willen om een nieuw bestaan op te bouwen. Ze krijgen ruimte in Gosen, de landstreek waar de Nijl alle kanten uitwaaiert, de groenste provincie van Egypte en een ideaal gebied voor schaapherders. Daar zijn ze de koning te rijk.
Zo vestigen Jakob, zijn zonen en hun families zich in Egypte, zeventig personen in totaal.



