english

14. De zegen

Genesis 47 vers 9 - Genesis 48 en 49 - Handelingen 7 vers 15 en 16 -
Hebreeen 11 vers 21 en 22


Jakob voelt nu dat zijn levenseinde nadert. Hij roept Jozef en diens zonen Manasse en
Efraïm bij zich.
‘Mijn leven is niet zo voorspoedig geweest als dat van mijn vader en grootvader’, zegt hij. En je ziet hem met zijn blinde ogen in de diepte van zijn eigen geschiedenis kijken. ‘Ik heb veel rondgezworven’, gaat hij verder, ‘zonder te begrijpen dat God voor mij zou strijden. Daarom ben ik ook niet zo oud geworden. Toch is God altijd de God geweest die trouw bleef aan zijn afspraak met mijn vader en grootvader. Hij is ook mijn leven lang mijn herder geweest. En Hij was mijn bevrijder.’

Hij gaat op het puntje van zijn bed zitten.
‘Luister jongen’, zegt Jakob tegen Jozef, ‘jouw zonen gelden als mijn zonen. Omdat ik jou mijn eerstgeboorterecht schenk, zal ik hen zegenen met het dubbele deel van de erfenis, dat eigenlijk mijn oudste zoon toekomt.’

Hij kruist zijn armen over elkaar en legt zijn handen op hun hoofden. Jozef wil dat zijn vader zijn rechterhand op het hoofd van de oudste legt, maar Jakob wil de jongens alleen maar kruislings zegenen. Hij ruilt de jongste met de oudste, net als Isaak werd geruild met Ismaël en hijzelf met Esau.

‘De naam van mijn voorouders Abraham en Isaak zal in jullie voortleven’, zegt hij. ‘Jullie zullen je uitbreiden over de hele aarde, maar de jongste zal machtiger zijn dan de oudste.’ Zo zegent Jakob Efraïm vóór Manasse.

Daarna roept hij al zijn zonen bij zijn bed om hen te zegenen.
Juda krijgt een bijzondere zegen, omdat hij voor zijn jongste broer Benjamin instond.
‘Juda, voor jou zullen mijn zonen zich buigen’, zegt Jakob. ‘De koningsscepter zal in de hand van jouw nakomelingen blijven, totdat die ene komt, Silo, die er voor altijd en eeuwig recht op heeft. Deze leeuw van Juda zal zijn koninklijke jas in druivenbloed wassen. Alle volken zullen hem dienen, want God heeft hem aangekondigd, God heeft die ene zoon beloofd.’

Van Jozef zegt hij dat Gods zegen op hem zal blijven rusten, ‘want hij is de herder, de hoeksteen van Israël, de uitverkorene onder zijn broers.’

En van zijn jongste zoon, de enige die in het beloofde land werd geboren: ‘Benjamin is een verscheurende wolf. ’s Morgens verslindt hij zijn prooi, ’s avonds verdeelt hij de buit.’

Jakob laat Jozef beloven dat hij bij zijn voorouders wordt begraven. Dan knielt hij neer, steunend op zijn stok, om God de eer te geven. Als hij klaar is, valt hij terug op zijn bed en blaast zijn laatste adem uit.

Jakob wordt in een enorme optocht van voetvolk, ruiters en wagens door zijn zonen naar Kanaän gedragen. Daar wordt de derde stamvader van Israël in de grot van Machpela begraven, dichtbij de eiken van Mamre.

Na de begrafenis reist de rouwstoet terug naar Egypte. Daar praten de broers met Jozef. Ze zijn er niet gerust op wat hij met hen zal doen, nu hun vader gestorven is.
‘Kun je ons echt vergeven?’ vragen ze. ‘Als het moet, worden we je slaven.’
Jozef moet ervan huilen dat zijn broers zo weinig vertrouwen in hem hebben en om vergeving blijven vragen.
‘Waarom zouden jullie bang zijn?’ zegt hij. ‘Wat God heeft gewild kan ik toch niet ongedaan maken? Hij wil ons tot een groot volk maken, daarom heeft Hij al het kwaad dat jullie hebben gedaan ten goede gekeerd. Ik zal zelf voor jullie en jullie kinderen zorgen, totdat God ons weer terugbrengt naar het land dat Hij aan Abraham, Isaak en Jakob beloofde. Jullie moeten mij dan meenemen om ook daar begraven te worden.’

Zo blijft Jozef zijn broers bemoedigen.