2. Jozef wordt verkocht
Genesis 37 vers 20 tot 36De broers wachten Jozef op. Hij is zeventien jaar, zij zijn allemaal ouder. Hun vader heeft
Jozef het liefst dicht bij zich, net als de jongste van de twaalf, Benjamin. Vader Jakob is gek
op die twee. Ze herinneren hem aan hun moeder, Rachel, zijn overleden lievelingsvrouw.
Maar nu heeft hij Jozef op reis gestuurd, op zoek naar zijn broers. Ze verzorgen de veestapel van het familiebedrijf en zijn al dagenlang van huis.
Jozef zoekt hen eerst in Sichem, maar een man wijst hem verder, richting Dotan, waar twee waterputten zijn. Hij blijft zoeken, want hij moet zijn vader bericht geven hoe het met hen gaat. Maar hij is helemaal niet welkom; de broers zien hem als een verrader en een opschepper. Ze hebben hun plannetje gesmeed en willen op Jozef afstormen.
‘Nee, wacht!’ roept Ruben, de oudste. ‘Dit kunnen we echt niet maken. We kunnen ons geen moord op de hals halen. Ik weet wat beters. Laten we Jozef in de put gooien, maar niet botweg doden.’
‘Ook goed’, zeggen de broers. Ze rennen op Jozef af, rukken de jas van z’n schouders en gooien hem in een droogstaande put. Daar laten ze hem achter.
Lachend om hun eigen overmoed beklimmen ze de heuvel weer. Ze lachen allemaal, behalve Ruben, die zich schaamt. Hij verzint in stilte een manier om zijn broertje later op de dag uit de put bevrijden. Maar de andere jongens zijn hem voor.
‘Weet je wat?’ zegt Juda als ze op de heuvel aan de maaltijd beginnen, ‘we kunnen die wijsneus wel verkopen.’
Hij ziet uit het noorden juist een karavaan opdoemen. Het zijn Ismaëlieten, die met hun handel op weg zijn naar Egypte.
‘Dan hoeven we hem niet te doden,’ gaat Juda verder, ‘maar zijn we ons lieve broertje toch kwijt.’
De broers vinden dat een goed plan. Ze trekken Jozef uit de put en verkopen hem voor twintig zilverstukken, de gangbare prijs voor een kindslaaf. Ze zien hem langzaam in de stofwolken verdwijnen, vastgebonden achter een kameel.
Ruben is ten einde raad: wat moet hij tegen zijn vader zeggen?
Maar zijn broers slachten een lam en kliederen het bloed op de sjieke jas van Jozef, die ze daarna kapotscheuren.
Als ze weer thuis zijn, laten ze het vod aan hun vader zien.
‘Dit vonden we onderweg, pa. Is het niet de jas van uw zoon?’
‘De jas van Jozef, mijn allerliefste zoon!’ roept Jakob uit. ‘O nee, hij is in stukken gereten!’
Jakob scheurt zijn kleren en huilt en rouwt dagen achter elkaar. Niemand kan hem troosten.
Nee toch, waarom Jozef!
Jakob had gedacht dat deze zoon misschien wel een geheim bezat met al zijn dromen, een belofte van God – maar nu is die meesterdromer dood.
‘Ik zal zelfs in mijn graf nog over hem rouwen’, klaagt hij.


