3. Jozef, een gezegende slaaf

Genesis 39 vers 1 tot 20

Na een reis van meer dan vierhonderd kilometer belandt Jozef in Egypte, vastgebonden
als slaaf voor de verkoop.

Egypte is een machtig, welvarend rijk. Er is altijd voedsel. De rivier de Nijl geeft genoeg water om de akkers te bevloeien.
De farao’s regeren hier als goden. Ze wanen zichzelf onsterfelijk: hun graven zijn piramides, hun grafkisten sarcofagen, hun lijken mummies, die allemaal nodig zijn om niet te vergaan.
Het land telt veel goden. Goden van de kosmos, goden van de aarde, goden met namen als Ra, Re, Geb, Seb, Nut, Toth, Hathor, Isis, Osiris, Apis en Horus. Ze worden vereerd in de hoop dat ze een beetje voorspoed en geluk brengen.
Meer dan de helft van de inwoners bestaat uit slaven. Het zijn de werkpaarden die op blote voeten enorme steden en tempels bouwen. Andere slaven dienen in het huis van een of andere rijke.

Jozef wordt op het marktplein in de stad te koop gezet. Zo’n jonge, sterke slaaf is geliefde koopwaar.
Potifar wil hem wel hebben. Hij kan die mooie slaaf gemakkelijk betalen, schatrijk als hij is. Hij is dan ook een topambtenaar van de farao: hij leidt het commando dat de farao als lijfwacht dient.

Zo komt Jozef terecht in het paleis van de commandant. Daar doet hij zijn werk opvallend goed. Potifar is er verbaasd over hoe goed het met Jozef gaat en hoe voorspoedig hij is. Hij denkt: kijk eens wat voor geluk er op die jongen rust. Welk geheim zou hij hebben? Hij heeft vast een God die met hem is.
Weet je wat, denkt hij, ik maak hem mijn eerste slaaf, mijn persoonlijke bediende, dan deel ik in zijn geluk.

Potifar heeft het goed gezien. Omdat Jozef door God gezegend wordt, wordt alles wat de Egyptenaar bezit ook gezegend. Jozefs aanwezigheid komt heel zijn huis ten goede.
De commandant geeft Jozef de leiding over al zijn bezittingen. Dat gaat Jozef zo goed af dat zijn baas er geen omkijken naar heeft. Die denkt alleen nog maar aan zijn dieet en aan zijn conditie om de beste lijfwacht van de farao te zijn.

Maar de vrouw van Potifar denkt aan Jozef. Ze heeft een oogje op hem. Zo’n mooie jongen – die wil ze wel in haar bed zien te krijgen.
‘Kom bij me liggen’, zegt ze.
‘Helemaal niet’, zegt Jozef. ‘Ik wil uw man niet bedriegen.’
‘Hè toe’, zeurt ze telkens weer.
‘Nee, dat doe ik niet’, blijft Jozef volhouden. ‘Uw man heeft me alles in dit huis ter beschikking gesteld, behalve u, omdat u zijn vrouw bent. Ik haal het niet in m’n hoofd om te zondigen, niet tegen uw man en ook niet tegen God.’

De vrouw wordt nijdig en verzint een list.
Op een dag is ze in een van de vertrekken van het paleis alleen met Jozef. Ze klemt zich aan hem vast en zegt: ‘Kom bij me liggen, nu.’
Als Jozef zich wil losrukken, laat ze hem gaan, maar ze grijpt wel zijn jas vast. Jozef vlucht, de vrouw blijft met de jas achter.
Ze roept: ‘Help, help!’
Als er bedienden binnen komen rennen, doet ze alsof ze in paniek is.
‘Die man is mijn kamer binnengedrongen’, huilt ze. ‘Hij wilde seks met me. Toen ik ging roepen is hij gauw gevlucht. Kijk maar, hij liet zijn jas achter.’

Als haar man thuiskomt, vertelt ze hem hetzelfde verhaal.
‘Die buitenlander die jij in huis hebt gehaald probeerde me te verkrachten’, jammert ze.
Potifar is razend. Dat die slaaf hem zo voor schut wilde zetten! Hij laat Jozef oppakken en in de gevangenis gooien.