english

4. Gods gunst in de gevangenis

Genesis 39 vers 20 tot Genesis 40 vers 23

Jozef wordt in een onderaardse ruimte gesmeten. Het is er altijd donker, alleen
door de tralies van het luik vallen wat strepen licht naar binnen. De commandant van de
farao heeft hier tientallen gevangenen opgesloten; sommigen zitten er al jaren. Er hangt dan
ook een dikke walm van zure en zoute mensengeuren.

De gevangenbewaarder heeft er zijn handen vol aan om al die gevangenen te verzorgen en aan het werk te houden. En het is nog gevaarlijk ook: je weet maar nooit wat die criminelen uit kunnen halen.
Maar hij ziet dat Jozef anders is.
Ook hier in de gevangenis is God goed voor Jozef. Hij is erbij. En Hij zorgt ervoor dat de cipier Jozef mag. Daarom krijgt Jozef al snel de leiding over de verzorging van de gevangenen en het werk dat ze moeten doen. Dat gaat hem zo goed af dat de gevangenbewaarder er geen omkijken naar heeft.
De cipier denkt: die Jozef heeft een goede God; kijk maar eens hoe voorspoedig hij is. Waar heeft hij dat aan verdiend? Wat zou zijn geheim zijn?

Dan worden er twee mannen uit het paleis van de farao de gevangenis in gegooid. Het zijn de opperschenker en de opperbakker, die de farao tot voor kort persoonlijk bedienden met drank en voedsel. Ook voor hen moet Jozef zorgen.

Op een dag ziet hij dat die mannen allebei uit hun doen zijn.
‘Waarom zo somber?’ vraagt hij.
‘We hebben vannacht allebei een droom gehad,’ zeggen ze. ‘Maar we hebben geen idee wat ze te betekenen hebben en we kunnen het hier niet aan een magiër vragen.’
‘Stel dat die dromen van God komen, dan kan Hij ook voor uitleg zorgen,’ zegt Jozef. ‘Vertel ze eens aan mij.’

‘Nou goed,’ begint de schenker. ‘Ik droomde van een wijnstok met drie ranken. Binnen een mum van tijd liepen de takken uit, stond alles in bloei en groeiden er druiventrossen aan. Zonder dat ik er iets voor hoefde te doen werden de druiven rijp, helemaal vanzelf. Ik perste ze uit in de beker van de farao en gaf die hem in handen.’
‘Luister’, antwoordt Jozef. ‘Dat moet zo uitgelegd worden. Drie ranken zijn drie dagen. Over drie dagen zal de farao uw hoofd opheffen. Hij zal u weer in genade aannemen als zijn opperschenker en u zult hem weer de beker aanreiken.’

De schenker staat te kijken van die uitleg en haalt opgelucht adem.
Dan pakt Jozef hem bij zijn handen.
‘Ik heb u geholpen’, zegt hij. Wilt u ook iets voor mij doen? Wilt u aan mij denken als het u weer goed gaat? Ik zit hier wel, maar ik heb niks misdaan. Ik ben geen slaaf en ook geen misdadiger. Ik hoor niet eens in dit land. Help me alstublieft om hieruit te komen.’
De schenker knikt en geeft hem zijn woord.

Daarna luistert Jozef naar de bakker. Die hoopt dat zijn droom ook zo gunstig uitpakt.
‘Ik droomde ook zoiets’, begint de bakker. ‘Ik droeg drie manden met brood op mijn hoofd. In de bovenste mand zat het allerbeste zelfgemaakte brood en gebak voor de farao. Maar de vogels pikten alles waar ik zo mijn best voor gedaan had eruit.’
‘Dat moet zo uitgelegd worden’, zegt Jozef. ‘De drie manden zijn ook drie dagen. Over drie dagen zal de farao ook uw hoofd opheffen. Maar hij zal die aan een paal ophangen, zodat de vogels uw eigenwijze vlees van uw botten af zullen pikken.’

En zoals Jozef het heeft gezegd gebeurt het. Drie dagen later is de farao jarig. Hij geeft een groot feest, waar hij de schenker en de bakker in het openbaar verhoogt. De schenker komt weer in het paleis terecht om de farao te bedienen, de bakker wordt opgehangen.
Maar de schenker vergeet Jozef.