5. De dromen van de farao

Genesis 41 vers 1 tot 24

Twee jaar later zit Jozef nog steeds in de gevangenis, terwijl de opperschenker al lang
weer zijn werk doet in de troonzaal van de farao.
Op een ochtend verschijnt de koning van Egypte met verwarde ogen en diep gezucht in zijn paleis. Hij is helemaal uit zijn doen: hij heeft eng gedroomd. Het paleis is in rep en roer, want geen magiër kan zijn dromen uitleggen.
Toch weet de farao zeker dat ze iets te betekenen hebben.
De opperschenker loopt daar ook rond. Plotseling moet hij denken aan die jongen in de gevangenis. Die kon dromen uitleggen! Hij vraagt een gesprek aan bij de farao en doet zijn verhaal. De farao wil deze jongeman onmiddellijk te spreken krijgen.

Jozef wordt van de kettingen om zijn hals en voeten bevrijd en uit de gevangenis gehaald, geschoren, gewassen en in mooie kleren gestoken. Om een gezonde kleur te krijgen krijgt hij een voedzame maaltijd voorgeschoteld. Jozef smult van de vis, komkommers en meloenen, het vlees, brood en bier. Verkwikt en opgefrist verschijnt hij voor de koning van Egypte.

‘Ik heb twee dromen gehad’, zegt de farao als Jozef voor hem staat, ‘maar niemand kan ze me uitleggen. Ik heb gehoord dat jij dat wel kunt.’
‘Niet ik, maar God’, antwoordt Jozef. ‘Vertelt u ze maar. Misschien heeft God wel een goede boodschap voor u.’

‘Welnu, ik droomde dat ik bij de rivier de Nijl stond’, begint de farao. ‘Er kropen zeven moddervette koeien de kant op, zo dik en rond als nijlpaarden. Ik zag hoe die koeien rustig gingen grazen. Maar toen kwamen er zeven magere scharminkels uit het water, zo uitgemergeld dat je dwars door ze heen kon kijken. Die lelijkerds vraten de dikke koeien met een paar happen op. Maar dik werden ze er niet van. Wat erg! Zoiets angstaanjagends had ik nog nooit gezien.’

De farao slikt zijn zenuwen weg.
‘Ik werd met een schok wakker, dat begrijp je. Maar ik viel direct weer in slaap’, vervolgt hij. ‘En toen droomde ik van een korenhalm die wuifde in de vochtige wind. Er kwamen zeven rijpe, volle aren uit tevoorschijn. Maar daarna stak er een oostenwind op met een verzengende hitte. Toen kwamen er zeven iele, armetierige aren uit de halm, die de dikke aren één voor één opslokten. Ook die waren er niet dikker op geworden. Ik werd met een bonkend hart wakker en wist direct dat dit iets ernstigs te betekenen had’, fluistert de farao met dichtgeknepen keel. ‘Maar niemand hier kan me vertellen wat.’

De farao zwijgt en kijkt met brandende ogen naar Jozef.
Er valt een diepe stilte in de troonzaal.