english

7. Jozef treedt op als redder in nood

Genesis 41 vers 46 tot 57

Jozef is dertig jaar oud als hij onderkoning wordt. Hij trouwt een belangrijke vrouw, die
Asnat heet. Ze is de dochter van de priester van Heliopolis, de tempelstad.
Jozef ondergaat een complete verandering. Hij is in Egypte van de laagste tot de hoogste plaats gestegen, van de kerker tot de troon. Maar hij is toch dezelfde gebleven, want hij voelt zich nog steeds verbonden met zijn familie in Kanaän.

Als hij twee zonen krijgt, geeft hij ze namen in zijn moedertaal. De oudste noemt hij Manasse, omdat God hem zijn verdriet en heimwee laat vergeten. De jongste noemt hij Efraïm, omdat God hem met nog een zoon dubbelop voorspoed geeft.

Jozef trekt als koning door heel Egypte. Hij ziet hoe de gewassen op de zwarte grond in het voorjaar groen kleuren en er in de zomer blakend wit bij staan. Ook ziet hij wat een enorme oogsten er binnengehaald worden. Daarom geeft hij opdracht om een vijfde deel daarvan op te slaan in schuren.

Zeven jaar lang worden er in de steden van Egypte achter elkaar graansilo’s bijgebouwd en volgestampt. Er wordt zo veel voedsel verzameld dat de voorraad niet meer te tellen is.
Na die zeven jaren van overvloed slaat het weer om. De regen blijft uit, het water verdampt, er heerst doffe droogte en een zinderende hitte. De velden verschroeien, de oogsten mislukken, de honger slaat toe – precies zoals Jozef voorspeld had. Maar bij hem is genoeg graan te koop.

Als de hongersnood aanhoudt, verkopen de Egyptenaren steeds meer van hun bezittingen aan Jozef, in ruil voor voedsel. Zodoende krijgt de farao alle akkers, alle grond, alle steden en huizen in bezit. Op het laatst verkopen de Egyptenaren zelfs zichzelf als slaven.
Ook al zijn de omstandigheden treurig slecht, toch is het volk blij dat Jozef hen met zijn voedselvoorraden behoedt voor de hongerdood. Ze beschouwen hem als hun redder.

Jozef is ook blij en dankbaar. Maar hij kijkt vooruit en wil niet dat de Egyptenaren voor hun voedsel afhankelijk zullen blijven van de farao. Daarom geeft hij hen zaad om hun akkers in te zaaien zodra de hittejaren voorbij zullen zijn en de eerste regen zal vallen.

‘Als de tijden beter worden zullen jullie weer genoeg hebben om van te leven’, zegt hij. ‘Maar jullie moeten wel een vijfde deel aan de farao blijven afstaan.’
Zo houdt hij de bevolking in leven.