english

8. Jozef ontmoet zijn broers

Genesis 42 vers 1 tot 17

In het buitenland heeft de hongersnood net zo hard toegeslagen als in Egypte. Ook in
Kanaän houdt de droogte aan. Het land levert geen korrel graan en geen blaadje groente
meer op. Er is niets, maar dan ook niets meer te eten.

Jakob en zijn elf zonen zijn er slecht aan toe. Hun wangen vallen in, hun ogen staan hol.
Jakob denkt aan die wonderkoning in Egypte, honderden kilometers zuidwaarts, die inmiddels wereldberoemd is. Misschien kan die helpen, al heeft hij er geen idee van wie die koning eigenlijk is.

‘Wat zitten jullie elkaar hier aan te staren?’ zegt hij tegen zijn zonen. ‘Ga toch naar Egypte om voedsel te halen. Jullie hebben zelf gehoord dat daar genoeg is. Neem al ons geld mee om inkopen te doen. Of willen jullie soms doodgaan van de honger?’
De broers gaan op weg naar Egypte, in de hoop dat ze daar geholpen zullen worden. Maar Jakob houdt Benjamin thuis. Stel je voor dat hij zijn jongste zoon ook nog kwijt zou raken, net als Jozef.

De zonen van Jakob reizen met een lege maag door de woestijn naar het zuiden. Egypte maakt indruk op ze. Wat een rijk land. Wat een steden. En wat een enorme bouwwerken. Zij zijn maar eenvoudige tentbewoners; ze kijken dan ook hun ogen uit.
De tien hebben er geen idee van bij wie ze aankloppen voor graan. Maar als ze in het paleis voor Jozef verschijnen, herkent die zijn broers direct.

De broers buigen diep voor hem.
Jozef doet alsof ze vreemden voor hem zijn.
‘Waar komen jullie vandaan?’ vraagt hij streng.
‘Uit Kanaän in het noorden, mijnheer’, antwoorden de broers.
‘Jullie zijn spionnen!’ zegt Jozef. ‘Jullie loeren op de zwakke plekken in mijn land!’
‘Nee mijnheer’, antwoorden ze, ‘o nee, we zouden niet durven. We zijn alleen maar gekomen om voedsel te kopen. We zijn eerlijke mensen, allemaal zonen van dezelfde vader. We waren met z’n twaalven. Maar één is er niet meer en de jongste hebben we thuisgelaten.’
‘Als dat zo is, moeten jullie dat mij maar eens bewijzen’, zegt Jozef. Zijn hart klopt sneller, maar hij laat niets merken. ‘Ik wil die jongste broer van jullie dan wel eens zien,’ gaat hij verder. ‘Eén van jullie zal teruggaan om hem te halen. De rest houd ik hier gevangen.’

De broers staan perplex. Daar hadden ze niet op gerekend. Wat wil die Egyptenaar? Ze zijn bang: ze hebben het gevoel dat hun leven aan een zijden draadje hangt.