9. Jozef zorgt voor zijn broers
Genesis 42 vers 18 tot 38Jozef zet zijn broers gevangen. Hij verwacht na drie dagen een antwoord van hen.
Als het zover is, neemt hij het woord en zegt dat ze terug mogen gaan naar hun land. Maar
niet zomaar.
‘Jullie kunnen naar huis’, zegt hij, ‘naar jullie vader en jongste broer. Ik geef jullie graan mee om de honger van jullie families te stillen. Maar één van jullie houd ik hier, totdat jullie terugkomen en weer voor mij verschijnen. Dan wil ik ook jullie jongste broer zien. Ik wil de waarheid weten, want ik heb ontzag voor God.’
De moed zakt de broers in de schoenen. Nu zullen ze opnieuw met een broer minder thuiskomen. Wat zal hun vader zeggen?
Ze vinden het een onzalig plan – maar ja, wat kunnen ze anders?
‘Dit is onze straf omdat we Jozef hebben verraden’, zeggen ze tegen elkaar. ‘Hij smeekte om genade, maar we wilden niet luisteren.’
‘Ik wilde hem nog wel uit de put halen’, zegt Ruben, ‘maar jullie hebben hem verkocht.’
Ze weten niet dat Jozef alles kan verstaan. Hij loopt weg, omdat hij zijn tranen niet meer kan bedwingen.
Als hij tot bedaren is gekomen en weer voor zijn broers verschijnt, kiest hij Simeon uit om in Egypte achter te blijven. De rest laat hij gaan.
Jozef geeft zijn knechten opdracht om de broers zakken vol graan mee te geven en ook nog eten en drinken voor onderweg. En ze moeten er ook al het geld in terugleggen dat de broers voor het graan betaalden.
Onderweg ontdekt één van de broers dat er meer in de zakken zit dan graan. Als hij de ezels te eten wil geven, ziet hij hun geld erin liggen.
Nu zijn ze helemaal ten einde raad. Goed, ze hebben genoeg voedsel bij zich om hun familie een poosje te onderhouden. Maar voor hoe lang? En Simeon zit vast. Vroeg of laat zullen ze terug moeten. Maar hoe kunnen ze ooit weer voor die Egyptenaar verschijnen, nu ze ook nog van diefstal beschuldigd kunnen worden?
Ze vervolgen zuchtend en steunend hun weg. De hemel is van koper. Het zand voelt droger aan dan ooit. De terugweg lijkt wel twee keer zo lang te duren als de heenweg.
Uiteindelijk komen ze met lood in hun schoenen thuis. Daar moeten ze het hele drama aan hun vader vertellen. Als hij het verhaal heeft aangehoord is hij de wanhoop nabij. Hij wil niet dat zijn zoons met Benjamin teruggaan naar Egypte.
‘Jullie maken mij nog kinderloos’, klaagt hij. ‘Jozef is er niet meer, Simeon zit daarginds en nu willen jullie ook nog Benjamin van me afnemen.’
Jakob blijft maar jammeren en klagen. De familie zit in zak en as.
Maar Jozef wacht af, vol goede hoop.



